Urzürië

(of ”’Ul-Urzüüür”’ zoals het in het Urzürisch heet) is een groot (ruim 2 miljoen km²), bergachtig en dunbevolkt land in het oosten van het continent Püüürqgrüüüw (Pangeo) met ongeveer 9 à 10 miljoen inwoners. Urzürië is vrijwel geheel door land omgeven. In het westen en noorden door Mürqgrüüüw (Nikublia), Büüürgrüüüw (Kirkir) en Bübülgrüüüw (Unie phan Städen däs Autismus), in het oosten door Fürnüggrüüüw (het land van Chris) en in het zuiden door Trüüülgrüüüw (Changaza). Slechts in het uiterste noorden en zuiden heeft het land een korte kustlijn.

Ongeveer tweederde van het land wordt ingenomen door de twee gebergten (”’Müüür-Ul-Urzüüür-Rüg”’ en ”’Müüür-Ur-Trüüülgüüür-Rüg”’ met toppen tot boven de 3000 meter) en de onherbergzame centraal-Urzürische hoogvlakte. Dit is het eigenlijke Urzürië, waar de meeste Urzüriërs leven. De Urzüriërs leven hier van het houden van zürgürgqen en wat handel met omliggende gebieden. Slecht een klein deel der bevolking woont in steden met meer dan 10.000 inwoners en daar is handel de voornaamste broodwinning.

Ondanks de enorme afstanden en het woeste ongastvrije landschap bestaat er een uitgebreid net van karavaanverbindingen tussen de steden onderling en met sommige plaatsen in het buitenland. De hoofdstad Ul-Nürqüldüqürzürgürgqürq ligt op 1600 meter hoogte en is een stoffige en ongastvrije plaats met zo’n 70.000 inwoners. De Urzüriërs zijn trots, onafhankelijk, heetgebakerd, tamelijk barbaars en leven in clans en subclans in het bergachtige binnenland. Daar trekken zij rond met hun zürgürgqen‘.

Urzürië bestaat ruwweg uit drie delen. Het hierboven beschreven hoogland (Ul-Urzüüür), het zuidwestelijke gedeelte van Urzürië, dat uit een laagvlakte bestaat gevormd door de machtige rivieren de Büüürgürgürgqülq (Biiirgirgirgqilq) en de Vlüzmürmülqblüb (Vlizmirmilqblib) en Irzirië (Il-Irziiir) genoemd wordt en tenslotte de twee eilandengroepjes voor de kust die samen met de enclave Arg-Arzääär Arzärië vormen. De Irziriërs zien zich door de vruchtbaarheid van hun land `gedwongen’ om landbouw te bedrijven, maar beschikken ook over de grootste havenstad van Urzürië; Iz-Vilqzqwirgqirgqirgir, van waaruit tal van goederen in- en uitgevoerd worden. De Arzäriërs kennen (in tegenstelling tot de Urzüriërs en Irziriërs) geen vrees voor grote wateroppervlakten en zijn door hun isolatie `gedwongen´ tot visserij en scheepvaart.

Bevolking en taal

De bevolking van Urzürië is dan ook onder te verdelen in drie hoofdgroepen; de Urzüriërs, de Irziriërs en de Arzäriërs (die op hun beurt weer onderverdeeld zijn in talloze clans en subclans). Het verschil tussen de drie genoemde bevolkingsgroepen is overigens voornamelijk van taalkundige aard; de Urzüriërs spreken Urzürisch (een dialect van het Irzirisch vinden de Irziriërs), de Irziriërs Irzirisch (een dialect van het Urzürisch zeggen de Urzüriërs) en de Arzäriërs Arzärisch (Water-Urzürisch volgens de Urzüriërs of Zee-Irzirisch volgens de Irziriërs).

Opvallend kenmerk van deze drie talen is het feit dat deze elk maar één enkele klinker bevatten. Hoewel de drie talen sterk op elkaar lijken kunnen de drie bevolkingsgroepen elkaar toch niet verstaan, omdat een Irziriër als enige klinker nu eenmaal alleen de i uit kan spreken, een Urzüriër alleen de ü, en een Arzäriër alleen de ä. In 1904 werd de totale bevolking van Urzürië door Zjiriwockse demografen op ongeveer 9 à 10 miljoen mensen geschat, Urzüriërs (ongeveer 7 miljoen), Irziriërs (iets minder dan 3 miljoen) en de Arzäriërs (circa honderdduizend personen) Op hun beurt zijn deze drie groepen weer in talloze clans en subclans onderverdeeld.

Religie

Zo ontoegankelijk als het land is, zo zijn ook de Urzüriërs. Vreemdelingen zijn over het algemeen niet welkom en riskeren hun leven. Dit heeft alles te maken met de religieuze beleving van de Urzüriërs. Centraal daarin staan de vier heilige vulkanen Grüüüwspüüürüüür (2743 m), Spüüüwvürüüür (3278 m), Vüüürspüüügüüür  (3120 m) en Grüüüwzüüüwspüüügüüür  (3495 m) (en waarvan de heiligheid evenredig is met zowel de hoogte als het aantal ü’s in de naam). Geen Urzüriër kan een groter offer aan de goden brengen dan door een waardevol voorwerp, of beter nog een vreemdeling in een van de vulkanen te werpen. Daarmee bewijst een Urzüriër zijn moed en mannelijkheid (voor vrouwen zijn deze offerandes niet toegestaan). In de zuidelijke delen van Urzürië komt ook wel het geloof van de püre ü voor, een stroming van de ui-religie uit het zuidelijke buurland Trüüülgrüüüw (Changaza). In Irzirië en Arzärië is dit natuurlijk respectievelijk de virile i en de ware a-religie geworden.

Geschiedenis

Staatskundig gezien heeft Urzürië misschien een jonge geschiedenis, maar anderszijds is het geen geheim dat de bergen van oostelijk Pangeo al sinds mensenheugenis door éénvokalige woestelingen op driebulters onveilig gemaakt worden. De Clephtanen die in het jaar 302 de stad Vildis stichtten in een gebied dat later Irzirië zou gaan heten, berichtten reeds over de voor niets en niemand bang zijnde zürgürgqruiters van een volk dat hoog in de bergen leefde, en waarmee zij enkele eeuwen later daadwerkelijk kennis maakten, toen deze op machtige driebultige rijdieren gezeten krijgers de stad Vildis met de grond gelijk maakten en er aan de Clephtaanse kolonisatie een abrupt einde kwam. De Irziriërs, want daar ging het over, namen naar goeddunken wat cultuur over, begonnen een beetje te experimenteren met landbouw, Vildis werd Iz-Vilqzqwirgqirgqirgir en hoofdstad van een heus Irzirisch koninkrijk, dat in de loop der eeuwen met steeds meer (en dan vooral Kirkrees) gebied uitgebreid werd. Aan deze Irzirische uitbreidingsdrang kwam echter een einde toen het hele koninkrijk in de twaalfde eeuw bij het opkomende Hevanitisch Imperium gevoegd werd.

Een volgende fase speelt zich voornamelijk in het noorden af. Daar trekken Kubliaanse zendelingen de Urzurische bergen in om aan de daar levende volkeren het Tilias-geloof te verkondigen, en bemachtigt de Kubliaanse adel met steun van hun kerk bovendien steeds meer gebied in Noord-Urzürië, waardoor de nomadische levenswijze van de Urzüriërs ernstig bemoeilijkt wordt. Gezien de aard der Urzüriërs leidt dit natuurlijk tot een tegenreactie en zij sluiten zich aaneen tegen deze dreiging vanuit het buitenland. Grote groepen Urzuriërs trekken zuidwaarts, richting het Hevanitisch Imperium, om de Kubliaanse invloeden te ontlopen. Dit reeds in zijn voegen krakende Imperium geeft in 1478 onder de druk van de binnentrekkende Urzuriërs Irzirië op, dat in de jaren daarna vervolgens door de Urzurische koningen veroverd wordt. Maar het noorden van Urzurië wordt niettemin bekeerd, en uiteindelijk wordt dit gebied in 1495 tussen de bondslanden Lakir en Kriste, het bisdom Oblizn en de baronie Teheziël verdeeld.

Na 1500 vestigen met name Atalàntejjaanse kooplieden zich in handelsposten langs de Irzirische kust. Zij vergaren steeds meer handelsprivileges en hollen zo de macht van de Urzürische koningen uit, en al spoedig beheersen zij het leven in de meeste Irzirische steden.

Na 1650 annexeert Atalàntejja Irzirië en wordt het een deel van het Atalàntejjaanse imperium. In het binnenland van Urzurië wagen zij zich echter pas na 1700. Rond die tijd stuurt de Atalàntejjaanse koloniale overheid regelmatig militaire expedities de binnenlanden in om de Urzurische stammen daar te onderwerpen, of althans te voorkomen dat deze stammen de in Atalàntejjaanse handen zijnde steden bedreigen. Officieel beschouwde het Atalàntejjaanse Imperium geheel Urzurië als koloniaal bezit, maar het noorden van Urzurië bleef krachtens het verdrag van Oblizn uit 1495, Kubliaans gebied.

Het Atalàntejjaanse koloniale bewind stort onverwacht in als in het jaar 1839 de leider van een der grootste Urzurische clans met een groep zürgürgqruiters Ul-Nürqüldüqürzürgürgqürq binnenrijdt, waar op dat moment de Atalàntejjaanse gouverneur van Urzurië in de schouwburg naar een opera zit te kijken. De Urzuriërs steken de schouwburg met gouverneur en al in brand en hun leider laat zich tot koning Bükspüüg I uitroepen en begint een onafhankelijkheidsstrijd tegen de Atalàntejjanen en Kublianen. In wat door de Urzüriërs de ”’Grote Vaderlandse Vrijheidsoorlog”’ genoemd wordt veroveren de Urzuriërs grote delen van de Kubliaanse staten Lakir en Kriste, en als in 1862 de Atalàntejjanen zich definitief uit Urzurië en Irzirië terugtrekken en de grenzen door de buurlanden erkend worden, is de onafhankelijkheid een feit.

In 1874 sterft Bükspüüg I onder verdachte omstandigheden, waarna zijn zoon als Bükspüüg II de troon bestijgt. Bükspüüg II is door zijn opportunistische politiek niet populair en gedurende zijn bewind verwordt Urzürië tot een Zjiriwocks protectoraat. De Zjiriwocken beginnen met een niets en niemand ontziende industriële exploitatie van het mineraalrijke land en verwerven bovendien tal van handelsprivileges ten koste van de Urzürische bevolking.

In 1904 wordt Bükspüüg II na een volksoproer in landsvlucht verdreven. Zijn zoon Würgschüür wordt de nieuwe Vührür, maar moet afstand van de abolute macht doen. Urzürië wordt een democratie en krijgt een heuse grondwet. In de praktijk stuit de invoering van algemeen stemrecht (voor mannen én vrouwen) echter op grote problemen, maar het is een feit dat Urzürië voor het eerst in zijn geschiedenis een parlement, de Düspüütschüür genaamd, krijgt. De nieuwe regering wenst het onderontwikkelde Urzürië te moderniseren. Maar de democratie wordt van alle kanten bedreigd, daar de nog immer aanwezige Zjiriwockse troepen grote delen van het land beheersen en sommmige buurlanden bovendien aanspraak op grote delen van het Urzürische grondgebied maken. Anno 1904 is de situatie explosief.

Leave a Reply